
Herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog
AlgemeenOegstgeestenaar Thijs Hoogervorst vertrouwde kortgeleden zijn herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog en de periode kort daarna toe aan het ‘papier’.
Voor de oorlog, in 1936, huurden mijn ouders een nieuwbouwhuis aan de Wijttenbachweg 59. Hier ben ik in september 1937 geboren. Het huis stond toen aan de rand van Oegstgeest, later kochten ze het pand. Volgens mijn ouders was kopen niet ‘in’. Een tijd na de oorlog werd kopen pas gestimuleerd. De verhuur van huizen ging niet vlot in die tijd, mijn ouders mochten van de verkoper voor alle kamers gratis behang uitzoeken. Nu niet voor te stellen.
Vrij uitzicht
Door het vrije uitzicht vanuit het huis konden we het verloop van de oorlog goed volgen. Voor ons huis lagen landerijen. We keken zo naar de Oudenhofmolen (gelegen in het Irispark bij de Lelielaan) en naar Warmond. Als er ijs lag kon ik voor de deur op de schaats stappen en zonder te klunen via de Zandsloot, het molentje en het Oegstgeesterkanaal naar de Kagerplassen schaatsen.
Katwijkers in huis
Van de aanvang van de oorlog heb ik niet veel meegekregen (ik was te jong), behalve dat ik veel knallen en schietgeluiden hoorde. Wel kan ik me goed herinneren dat later de gemeente ruimte van grote huizen kwam vorderen voor bewoners uit Katwijk die dicht bij de zee woonden en daar door de Duitsers uit hun huis werden gezet. Een ambtenaar van de gemeente Oegstgeest zei tegen mijn ouders: ‘Jullie zijn een gezin van man, vrouw en drie kinderen, daar kan makkelijk nog een gezin bij in. In de badkamer werd op het ligbad een aanrechtblad gemaakt met kastjes erboven zodat op een driepits oliestel eten kon worden gekookt. Wij kregen de weduwe van der Holst uit Katwijk met haar dochter inwonen op de eerste etage, waar ze de voorkamer, het kabinet en badkamer bewoonden.
In het hoekhuis met de Schoutenburgstraat kwam de familie van der Plas te wonen. Mevrouw van der Plas zat hele dagen garnalen te pellen. Nog nooit had ik garnalen gezien. De twee dochters speelden met mijn zusjes vaak op straat. Als het etenstijd was ging mevrouw van der Plas in de deuropening staan en riep ze de kinderen: ‘Aerentje, Geertje, broad eten.’ Wij verstonden in het begin dat Katwijkse taaltje niet!
Duitse soldaten
We speelden veel op straat in de Wijttenbachweg (er was weinig verkeer) en in de Schoutenburgstraat waarvan het zuidelijk gedeelte nog braak lag. We bouwden er hutten, deden spelletjes en verzamelden strippen zilverpapier die uit de lucht kwamen vallen om de radar te verstoren.
De huizen in het rechtergedeelte van de Schoutenburgstraat werden bewoond door Duitse officieren.
Soms kwam er door de Wijttenbachweg een zingend peloton Duitse soldaten aan marcheren die volgens omstanders zongen: ‘In der Heimat, in der Heimat da gibt’s ein wiedersehen’. Maar de Nederlanders zongen ‘da gibt’s kein wiedersehen’.
Slechts een letter meer, maar een wereld van verschil; of je komt wel of niet thuis uit de oorlog.
Er werd bij ons naar radio Oranje geluisterd. Buren kwamen luisteren, daarna ging de radio via de vaste kast in de kamer, waar de onderste planken even werden weggehaald, weer naar de kelder.
Op een keer kwamen mijn twee jongere zusjes elk met een appel thuis. Dat was bijzonder, wie had er nu appels in de oorlog. Op de vraag van mijn moeder hoe ze daaraan kwamen zeiden ze: ‘van die soldaat in de Schoutenburgstraat’, waarop mijn moeder zei dat ze die appels nooit meer mochten aannemen.
Na enige tijd kwam er een Duitse officier aanbellen. Mijn moeder riep: ‘we zijn verraden’ (omdat we naar radio Oranje luisterden en de radio hadden we bovendien moeten inleveren). Hij vroeg of hij binnen mocht komen. Ik zie die man nog aan tafel zitten. Hij begon plots te huilen omdat mijn zusjes gezegd hadden dat ze geen appels meer mochten aannemen. Dat vond hij zo erg omdat hij in Duitsland ook twee van zulke leuke kleine meisjes had. Dat huilen heeft erg indruk op me gemaakt: een militair die begint te huilen!
Koud en donker
Ook herinner ik me dat alles ’s avonds verduisterd moest zijn: er mocht geen licht van buitenaf te zien zijn. Wij hadden bijna de hele oorlog in ons huis electra omdat de Duitsers in de Schoutenburgstraat op hetzelfde electriciteitsnet zaten.
Met Kerstmis ging ik met mijn ouders te voet naar de nachtmis in de Willibrordkerk. Bij het klooster Duinzigt zagen we plots een rode vuurbal in de lucht, later bleek het een verongelukte V1 of V2 te zijn geweest.
Doordat de kerk geen electra had, was de hele kerk verlicht met veel kaarsen wat een romantisch gezicht was. Het was wel erg koud in de kerk zonder verwarming. Bovendien duurde de nachtmis erg lang omdat zoals dat hoorde met Kerstmis drie missen achter elkaar werden gedaan. Hierdoor was de dienst pas om 01.30 uur afgelopen.
Fietsen en radio’s werden door de Duitsers ingevorderd, maar mijn vader had zijn fiets in de garage verstopt achter kachelhout en turven.
Konijnen
In de garage hadden we ook heel wat konijnen. Hiervoor moest ik dagelijks veel gras en paardensla langs de slootkant zoeken.
Regelmatig werd er een geslacht. Ik moest dan met het konijn in een zak naar de heer van Ees, die op het ‘Laagie’ woonde (zoals dat in de volksmond werd genoemd). Een vrijbuiter die ook kievitseieren zocht en mollen ving om de huid te verkopen.
Vanuit de Dorpsstraat liep een pad rechts voor de Van Gerrevinkbrug schuin naar beneden waar een paar huisjes (’het Laagie’) aan het kanaal stonden. Daar werd het konijn met een tik achter zijn oren gedood en aan twee spijkers aan de muur gehangen en geslacht en de huid eraf gestroopt.
Van de huid maakte mijn moeder voor mijn zusjes twee zogenaamde moffen waar je de handen in kon doen om te warmen. Er werd een koordje aan bevestigd om de mof niet te verliezen.
Ook werden er van de konijnenhuidjes kleedjes voor op de grond voor het bed gemaakt.
Om slijtage van de schoenen tegen te gaan werden op de hak en de neus metalen stukjes geplaatst. Ook werden er kleine spijkers met grote koppen zogenaamde moffenkoppen op de zolen gedaan.
Maar kinderschoenen waren gauw te klein en nieuwe niet te koop en zodoende kregen mijn zusjes van timmerfabriek van de Fa. Amersfoort in de Dorpsstraat houten schoentjes gemaakt van twee plankjes in de vorm van de voet met een riempje erom.
Er werden in de oorlog veel bomen in de straten omgezaagd, zelfs de wortels werden eruit gegraven en te drogen gelegd.
Op de Wijttenbachweg lag een stuk grond van circa 50 centimeter tussen de stoep en de straat. Hier had de Gemeenteschool aan de Terweeweg gedurende jaren de sintels van de verwarming gedeponeerd.
Omdat hiertussen nog wat kleine kooltjes zaten, ging de hele Wijttenbachweg aan het graven.
Eten
Wat voeding betreft hebben wij het niet slecht gehad omdat mijn vader groentekweker was. Hij kweekte ongeveer ter hoogte van de Zonnebloemlaan en de Kennedylaan. Hoewel er veel van het bedrijf werd gestolen, wat niemand kwalijk is te nemen, hadden wij toch redelijk nog wat te eten, vooral bruine bonen. Mijn vader ging van armoe tabaksplanten kweken waarvan de bladeren op onze zolder te drogen werden gehangen nadat ik de bladeren eerst aan een lijn had geregen.
Tabak was een goed ruilmiddel, je zag regelmatig mensen sigarettenpeukjes van de straat oprapen om daar weer een sigaret van te maken.
Een keer werd er groenten geruild voor meel, maar daar bleken veel kleine vliegjes in te zitten. Na het zeven van het meel werd er toch nog brood van gebakken.
Ook maakte mijn moeder brood van suikerbieten, die bracht ik met mijn karretje (het onderstel van een oude kinderwagen) naar bakker Tijsterman in de Dorpsstraat, die het brood gratis meebakte. Het brood was erg zoet, maar dat vonden wij wel lekker.
Een keer ben ik met vriendjes via de Vinkenweg naar de Rijksstraatweg gegaan (nu A44). Daar zag ik veel magere mensen in dikke kleding lopend met een handkar richting het noorden gaan op zoek naar boerderijen om eten te vragen.
Een broer van mijn vader, die groenteboer was, ging niet meer langs de deur omdat hij niets meer te koop kon aanbieden. Van de honger heeft hij zijn paard geslacht en aan zijn familie wat vlees uitgedeeld.
Bij de gaarkeuken in de Dorpsstraat heb ik een keer een klein pannetje soep gehaald. Was erg waterig met veel stukjes aardappel erin.
Omdat we veel bruine bonen van de tuinderij hadden, maakte mijn moeder heel vaak bruine bonensoep.
De heer Choufour uit de Gabriel Metzustraat, Leiden, kwam met een zelfgemaakt karretje met twee fietswielen naar Oegstgeest om langs de deur te gaan om defecte aluminium pannen te dichten met twee metalen plaatjes met asbest ertussen. Voor vergoeding vroeg hij voornamelijk wat te eten.
Hij vroeg of hij zijn karretje mocht stallen in onze garage en zodoende kwam hij ook bij ons mee-eten. Het was een bijzonder aardige man en omdat hij grijs haar had noemden we hem opa Choufour.
Regelmatig kwamen er mensen bedelen voor eten. Ik herinner me een erg magere man die vaak om eten kwam vragen. Hij kreeg dan eten in de vestibule. Ik moest erbij blijven van mijn ouders omdat daar ook onze jassen hingen. Hij vroeg ook of hij wat voor zijn zieke moeder mocht meenemen, hiervoor had hij een beschuitbus bij zich.
School
Naar de lagere school kon ik niet, omdat de Duitsers in de Willibrordschool waren gehuisvest. Op het schoolplein hadden ze twee schuilbunkers gebouwd.
Voor les gingen we naar de gymzaal (nu sportschool Rob van der Hoorn). Na de eerste bijeenkomst moesten we voor de volgende les de voorpagina van de krant meenemen en de letter e aankruisen. Een andere keer weer een andere letter. Ja, ze moesten wat, want boeken hadden we niet.
Twee jaar ben ik niet naar school geweest. Op mijn schoolrapport werd voor alle vakken een cijfer 6 genoteerd met de aantekening dat de cijfers naar tijdsomstandigheden werden ingevuld.
Ook zag ik een keer een brandend vliegtuig waaruit een parachutist uitsprong die later in de Kempenaerstraat is geland en door de Duitsers is gearresteerd.
Limburgs
Vriendjes van me zeiden: ‘je moeder is een Duitse’. Ik snapte daar niets van, maar later begreep ik wel dat ze een andere uitspraak had, alleen hoorden wij dat niet.
Mijn moeder werd geboren in Bleijerheide, gemeente Kerkrade en dat Limburgs dialect lijkt op het Duits. (Laat Limburgers dat maar niet horen!). Als kind is ze op de lagere school in Bleijerheide geweest die door Duitse nonnen werd geleid. Het hoogste rapportcijfer was daar een 1 en het laagste een 5. Dat was dus lachen toen wij als kind haar rapport vonden.
Ruiten
Tegen het eind van de oorlog werd de Van Gerrevinkbrug opgeblazen (foto Herdenken en Vieren Oegstgeest), we kregen het advies om alle ramen en deuren open te zetten tijdens de ontploffing. Ondanks dat sneuvelden er diverse ramen. Ook zagen we tegen het eind van de oorlog de lucht vol met vliegtuigen die richting Duitsland vlogen. Einde oorlog in zicht?
Kaakjes en brood
Ook kan ik me herinneren dat na de oorlog diverse voedseldroppings werden uitgevoerd, ook grote blikken met heerlijke kaakjes. Van de blikken maakten we een vlot voor op het water. Zweden leverde wittebrood, dat was verrukkelijk met dik boter en suiker. Tot dan aten we het zogenaamde ‘regeringsbrood’ dat er erg grauw uitzag en lang niet zo lekker was.














