
‘Geef aandacht aan de verhalen achter de deuren’
AlgemeenIn het Bos van Wijckerslooth vond op 4 mei de Nationale Herdenking plaats. Auteur en oud-Oegstgeestenaar Hans Maarten van den Brink sprak onder andere over zijn jeugd in ons geestdorp.
“Oegstgeest is een van de oudste dorpen van Holland. Maar op de dag dat je er geboren wordt, zoals ik, achtenzestig jaar geleden, is alles natuurlijk splinternieuw. Nieuw en vanzelfsprekend. Je bent een pasgeboren kind op een zolderkamer in een huis op de hoek van de Geverstraat en de Endegeesterlaan en dat is net zo logisch als dat je moeder je moeder is en je vader je vader. Je vraagt je niet af ‘waarom hier’ en ‘waarom die twee.’ Het is gewoon ondenkbaar dat het anders zou kunnen zijn.
We hebben het over 1956, elf jaar na het einde van de oorlog. Een korte samenvatting van het voorafgaande zou zo kunnen luiden: in mei 1945 zat mijn vader ondergedoken om te ontkomen aan dwangarbeid in Duitsland; mijn moeder droeg op de dag dat Duitsland capituleerde een Duits militair uniform. Het duurde nog best lang, een flink deel van mijn kinderleven, voor ik me ervan bewust werd wat dat betekende en dat niet alles meer zo vanzelfsprekend was als op de eerste dag.
Maar voor ik iets leerde over wat er gebeurd was voor ik bestond, moest ik het dorp ontdekken. Eerst de ruimte, dan pas de tijd. Er was de straat met de tram naar het strand die langs ons huis liep, de Geverstraat dus, en er tegenover het begin van de Kempenaerstraat, toen nog de enige winkelstraat. Naast ons het park van Endegeest, waar toen nog een hek omheen stond, waarvan mijn vader een sleutel had omdat hij er werkte. Ook de lange Terweeweg leerde ik kennen, die er meer dan duizend jaar geleden als duinpad al was. Het Wilhelminapark met het postkantoor, het gemeentehuis en de apotheek – mijn leven breidde zich uit in steeds grotere kringen en daarmee de herinneringen, want de straten van het dorp zijn de plattegrond van mijn jeugd geworden, de kaart van mijn geheugen die me nu helpt de huizen weer te zien, die er vaak nog staan, en ook de mensen die er woonden, van wie de meeste niet meer in leven zijn.
Hun namen staan niet hier op dit monument, omdat ze de oorlog overleefden. Maar juist daardoor bleven ze in veel gevallen intens met die oorlog verbonden. Dat dat zo was, daar kwam je vaak pas veel later achter, jaren later, decennia later, in één geval pas vorige week, maar soms ook helemaal niet. Want ook een eerste kennismaking gaat vaak via de plek en daar blijft het dan voorlopig bij.
Eerst is er de schemerige magie van mijn eerste boekwinkel terwijl ik nog niet eens kon lezen, de honderden kleurige kaften, het warme licht. Dan wordt de eigenaar mijn eerste werkgever, de winkel is dan al verhuisd naar het moderne winkelcentrum aan de Lange Voort. En pas veel later lees je dat de vriendelijke, vrolijke, vaderlijke meneer Rozelaar en zijn broer de enige overlevenden van hun joodse familie zijn geweest.
Met een Duitse moeder was je niet overal even welkom, om redenen die begrijpelijk zijn, maar wèl, we waren inmiddels verhuisd naar de Waldeck-Pyrmontlaan, bij de familie Flim, om op de pony te rijden die in een stal in de achtertuin stond, en om, net als de andere kinderen uit de buurt, op woensdagmiddag het kinderprogramma te komen zien op het enige televisietoestel in de laan. Pas veel later lees je en hoor je dat Jan Flim zijn broer, de huisarts en verzetsstrijder Wim, verloren had in de laatste dagen van de oorlog, nadat het concentratiekamp Neuengamme was ontruimd. De twee hadden samen met veel succes geroeid bij Die Leythe aan de Morsweg, nu Leiden, toen nog deel van Oegstgeest. Dat wist ik niet toen ik zestig jaar later hetzelfde deed. Maar nu ik het wel weet ik niet meer denken aan roeien op het Galgewater en de Vliet zonder ook aan de gebroeders Flim te denken
Om de hoek, op de Terweeweg, woonde mijn beste middelbare schoolvriend, David Schweizer. We kwamen bijna dagelijks bij elkaar over de vloer, ik was welkom aan tafel bij zijn familie, mocht mee naar hun vakantiehuis in de Achterhoek. In december vorig jaar bezocht ik het voormalige concentratiekamp Buchenwald, bij Weimar. Pas vorige week las ik dat vader Dolf daar vanaf 1943 gevangen zat.
Een winkel, twee huizen, vier adressen en ieder adres een verhaal, voor wie de moeite wil doen zich te verdiepen. Ik zou er zo nog tien weten. Ik herinner me hoe het eruitzag en waar het naar rook achter al de voordeuren van mensen uit Indië bijvoorbeeld, zoals onze buren, meneer en mevrouw Nota in hun kamers met donkere meubels waarin het verdriet en het heimwee nog bijna tastbaar aanwezig waren. Die meubels en die geuren zijn verdwenen en de huizen kunnen niet spreken, daar hebben ze ons voor nodig. Maar ze zijn meer dan een decor, ze zijn een kostbaar uitgangspunt.
Hier, in dit bos, zijn geen huizen, wel paden, het is ooit door mensen aangelegd. Ook daar heb ik stevige herinneringen aan. Ik liep er doorheen op weg naar mijn eerste kleuterschool, bij de zusters Franciscanessen in het klooster Duinzicht, waar me al heel jong geleerd werd hoe heerlijk het was om voor het geloof te sterven, en mijn lagere school lag ernaast, de Montessorischool. We hielden hier hardloopwedstrijden, rookten onze eerste sigaret en er stond een monument, niet het huidige, maar wel op dezelfde plek. Een klein sierlijk beeldje van zandsteen was het, op een sokkel. Het werd vernield in 1971, en ik werd, vijftien jaar oud, op het politiebureau ontboden om te horen of ik dat soms had gedaan en zo ja, waarom. Speelde er toch iets van afkomst bij die verdenking mee?
Geen huizen in dit bos, wel een gebouwtje – en ook dat herinnerde aan de oorlog. Het was een kleine, grijze, grimmige bunker. Rechthoekig met een gangetje in het midden en aan weerskanten daarin twee zware stalen deuren. Het ding werd gebouwd in het voorjaar van 1944, nadat drie huizen aan de Oranjelaan waren gevorderd door Duitse officieren die kennelijk behoefte hadden aan een schuilplaats voorbij de achtertuin, aan de overkant van de sloot.
In 1967 vond de gemeenteraad dat dit souvenir van de bezetting aan het oog moest worden onttrokken. Zand erover. Er moest een ‘speelheuvel’ komen. Staatsbosbeheer leverde een ‘beplantingsplan.’ Maar al snel staken de hoeken van de bunker weer boven de aarde uit. Er werden boompjes op de heuvel geplant. Er kwam een hek omheen om de boompjes te beschermen. Tevergeefs. Beplanting en hek werden steeds weer vernield en hersteld, er moeten kapitalen aan zijn uitgegeven. Anno 2025 is het een rare bult, niet minder lelijk dan de bunker die er onder ligt. Ik pleit er niet voor om het ding weer uit te graven, er staan inmiddels toch ook wat flinke bomen op, al kunnen hun wortels niet diep zijn. Maar ik pleit er ook niet tegen. Het was een lieu de memoire, een plek die vragen opriep en dus de behoefte kon wekken om antwoorden te zoeken.
Ik heb u nu in een paar minuten iets verteld over mijn straten en de mensen die er woonden, over mijn Oegstgeest. Niet om het dorp voor mezelf te claimen, maar om u op te roepen om af en toe iets dergelijks te doen, de eigen herinneringen te onderzoeken maar vooral ook die van anderen. Om even de speelheuvel van de actualiteit te verlaten en de steeds luider wordende oproepen te negeren om alleen maar vooruit te kijken, ons los te maken van de geschiedenis, van verhalen over schuld en verdriet en verantwoordelijkheid.
Naarmate de oorlog verder van ons weg ligt en de laatste levende getuigen verdwijnen wordt het alleen maar belangrijker om aandacht te geven om af en toe wat geestelijke graafwerk te verrichten, om aandacht te geven aan wat er verborgen ligt onder het plaveisel van de straten, aan de verhalen achter de deuren, aan het verleden van de oude en de nieuwe wijken van het dorp en van het bos waar u nu bent. Abstracte herinneringen bestaan niet. Maar wie er een beetje moeite voor wil doen, kan in de twee minuten stilte ook heel zinvol denken aan mensen die hij zelf niet heeft gekend.”
Hans Maarten van den Brink
Met dank aan Margreet Wesseling

















