Geen remedie
Thuis lezen we bij het avondeten bijna altijd een kort stukje uit een boek. De laatste paar keren moesten we er soms hard om lachen. Niet omdat het zo grappig bedoeld is, maar juist omdat het absurd hopeloos en leeg lijkt. Saillant detail: het boek, Prediker genaamd, staat midden in de Bijbel.
Ik moest daaraan denken toen ik naar Leonard Cohen luisterde. I’ve seen the future, brother: it is murder. Hij zingt het zonder omweg. Alsof hij, net als Prediker, even onder de zon is gaan staan en hardop zegt wat we liever ontwijken: het schuurt, het faalt, het keert steeds terug. Macht die ontspoort, systemen die kraken, onrecht dichtbij en verder weg.
Prediker zou knikken: veel van wat we najagen blijkt uiteindelijk leeg of tijdelijk. Wat er vandaag is, was er gisteren ook al en morgen opnieuw. Het maakt Prediker een vreemde eend in de bijt van de Bijbel. Een stem die dwarsligt. Geen snelle troost, geen rechte lijn omhoog. Eerder iemand die de hoop tegen de haren instrijkt en vraagt: waar baseer je die eigenlijk op? En toch. Cohen zingt elders: There ain’t no cure for love. Geen remedie. Geen oplossing. Alsof liefde geen antwoord is, maar een toestand. Iets wat blijft, zelfs als alles eromheen scheurt.
Dat is het spanningsveld waarin ook Prediker leeft. Hij fileert het leven zonder pardon. Werk, rijkdom, wijsheid. Alles glipt door je vingers. Maar midden in die nuchterheid liggen kleine, bijna terloopse zinnen: Eet je brood met vreugde, drink je wijn met een goed hart, geniet van wie naast je zit. Geen groot systeem. Geen sluitende theorie. Eerder een aanwijzing. Misschien ontmoeten Cohen en Prediker elkaar precies daar. Niet in het oplossen van de wereld, maar in het verdragen ervan. In het erkennen dat de toekomst soms donker oogt, dat we onszelf tegenkomen in onze tegenstrijdigheden. En dat er tegelijk iets is wat zich niet laat wegredeneren. Liefde als ongemakkelijke constante. Niet maakbaar, maar ook zeker niet uit te bannen. Misschien is hoop dan niet het tegenovergestelde van realisme, maar iets dat er dwars doorheen groeit. Niet luid, niet triomfantelijk. Eerder als een koppige gewoonte: blijven liefhebben, blijven zoeken, blijven zitten aan dezelfde tafel. Niet omdat het alles oplost. Wel omdat het, tegen de haren in, toch blijft.
Jelle Wesseling